Prestatieafspraken 2020 - FAQ's

Woningcorporaties moeten prestatieafspraken maken met bijvoorbeeld gemeenten. Hier vindt u een aantal veel gestelde vragen, met antwoorden, over de prestatieafspraken.

  1. Toetst BZK of de Aw de prestatieafspraken?
  2. Moeten corporaties  leefbaarheid nog opnemen in de prestatieafspraken?
  3. Heeft een corporatie voor een huursom van 1 procent boven inflatie afspraken nodig? En zo ja, voor welk jaar moet de corporatie de afspraken maken?
  4. Wat moet een corporatie afspreken over inkomensafhankelijke huurverhoging?
  5. Als de 80-10-10-grens vervalt en een corporatie moet 15 procent ruimte regelen via afspraken, moet de corporatie dat dan nu regelen? En wat kan een corporatie daarmee regelen?
  6. Moet een sociaal statuut terugkomen in de prestatieafspraken?
  7. De plicht tot voorbespreking met de huurders wordt vervangen door een evaluatie met partners. Is deze wijziging al van toepassing?
  8. Zijn afwijkende procedures toegestaan?
  9. Moeten de prestatieafspraken aan de minister worden gezonden?
  10. Moet een corporatie die meerjarige prestatieafspraken maakt, nog jaarlijks een bod uitbrengen?
  11. Zijn er al nieuwe volkshuisvestelijke prioriteiten van BZK?     

 

  1. Toetst BZK of de Aw de prestatieafspraken?
    Nee, BZK en Aw toetsen de prestatieafspraken niet. 
        
  2. Moeten corporaties  leefbaarheid nog opnemen in de prestatieafspraken?
    Op dit moment bepaalt de Woningwet nog steeds dat een toegelaten instelling alleen mag bijdragen aan de leefbaarheid voor zover dat onderdeel uitmaakt van de prestatieafspraken. Dat staat in art. 45 lid 2 onderdeel f sub 1˚ van de Woningwet.

    Als een toegelaten instelling een hoger bedrag wil bijdragen aan leefbaarheid dan de norm van 131,37 euro (prijspeil 2020, zie art. 51 BTIV), kan dat alleen als dat is vastgelegd in de prestatieafspraken.

    Tot nu toe toetst de Aw (m.n. aan de hand van de dVi) of de leefbaarheidsbijdragen zijn vastgelegd in de prestatieafspraken.

    Het is de bedoeling dat de Woningwet op dit punt zal worden versoepeld, maar de wetgeving daarvoor is nog onderweg. Daarnaast is het de bedoeling dat een toegelaten instelling straks zonder prestatieafspraken leefbaarheidsuitgaven mag doen. Ook is het de bedoeling dat het wettelijk maximumbedrag voor leefbaarheidsuitgaven komt te vervallen. Deze wijzigingen van de Woningwet moeten op 1 januari 2021 in werking treden. De wijzigingen zijn echter nog niet opgenomen in een formeel wetsvoorstel.
     
  3. Heeft een corporatie voor een huursom van 1 procent boven inflatie afspraken nodig? En zo ja, voor welk jaar moet de corporatie de afspraken maken?
    Op grond van de wet geldt die (maximaal) 1 procent extra verhoging van de huursom voor het kalenderjaar 2020 (artikel 40, aanhef en onder b. RTIV). Benutting van die 1 procent extra huursomstijging moet – op voorstel van de corporatie - in een gezamenlijke (prestatie)afspraak tussen huurdersvertegenwoordigers en gemeente worden vastgelegd. Benutting van deze 1 procent kan alleen worden toegepast als die extra verhoging noodzakelijk is omdat een inflatievolgende huurverhoging tot onvoldoende investeringscapaciteit leidt (naar het oordeel van de lokale partijen).
    Vaak komen prestatieafspraken pas in het najaar tot stand, nadat de reguliere huurverhoging al heeft plaatsgevonden. Gebruikmaken van de mogelijkheid van een extra huursomstijging in 2020 zal in veel gevallen dan ook niet mogelijk zijn.

    Wil een corporatie in 2021 gebruik kunnen maken van de extra huursomstijging, dan zal deze extra verhoging deel moeten uitmaken van de (in het najaar van 2020) te voeren onderhandelingen over de prestatieafspraken voor 2021. Daarover zal een akkoord met partijen moeten worden bereikt.

    De Aw wijst erop dat afspraken hierover concreet moeten zijn, omdat achteraf verantwoording moet kunnen plaatsvinden, om te zien of de extra huurverhoging is aangewend voor investeringen. Op welke wijze deze verantwoording invulling krijgt, wordt mogelijk verduidelijkt komend najaar in het accountantsprotocol voor het jaarverslag 2020.
     
  4. Wat moet een corporatie afspreken over inkomensafhankelijke huurverhoging?
    De individuele reguliere huurverhoging bedraagt in 2020 maximaal 5,1 procent. In geval het huishoudinkomen in 2018 meer bedroeg dan 43.574,00 euro (van het huishouden zoals dat is samengesteld op 1 juli 2020) kan de verhuurder een inkomensafhankelijke verhoging voorstellen. In dat geval bedraagt de verhoging maximaal 6,6 procent. Bij het huurverhogingsvoorstel moet de verhuurder een huishoudverklaring voegen, op te vragen bij de Belastingdienst. De extra inkomsten tellen mee bij berekening van de huursom. Aan een huishouden dat op 1 juli 2020 uit vier of meer personen bestaat, of waarvan een persoon op die datum AOW-gerechtigd is, kan geen inkomensafhankelijke huurverhoging worden voorgesteld. Daarnaast is de groep chronisch zieken en gehandicapten van de inkomensafhankelijke huurverhoging vrijgesteld. Lees meer.

    Ook kan een wijziging in de samenstelling van het huishouden per datum van de huurverhoging, ertoe leiden dat de verhuurder alsnog slechts aanspraak heeft op de reguliere huurverhoging. Zie voor verdere details MG 2020-01.
    n het kader van prestatieafspraken kunnen partijen overeenkomen dat de extra huurinkomsten die de corporatie verwerft – als uitvloeisel van een inkomensafhankelijke huurverhoging – zullen worden aangewend voor extra investeringen en tot welke bedragen.
    Het is van belang dit scherp vast te leggen in de prestatieafspraken om te voorkomen dat niet realiseren van de extra investering(en) leidt tot overschrijding van de maximale huursomstijging.

    Maakt men een dergelijke afspraak en overschrijden de extra huurinkomsten de overeengekomen investeringsbedragen niet? Dan worden de woningen waarbij deze verhoging is toegepast, buiten berekening van de huursom gehouden (artikel 54 lid 2, aanhef en onder d. Woningwet).
     
  5. Als de 80-10-10-grens vervalt en een corporatie moet 15 procent ruimte regelen via afspraken, moet de corporatie dat dan nu regelen? En wat kan een corporatie daarmee regelen?
    Op 1 januari 2021 vervalt de 80/10/10-regel. Formeel moet dan weer 90 procent van de sociale huurwoningen die corporaties toewijzen, worden toegewezen aan inkomens tot maximaal 39.055 euro (prijspeil 2020) en resteert nog 10 procent vrije toewijzingsruimte. Volgens mededeling van de Rijksoverheid (27-09-2019) heeft de ministerraad aangekondigd een wetsvoorstel in te dienen die deze verhouding wijzigt naar 92,5 procent/7,5 procent. Corporaties krijgen dan de mogelijkheid om – als hieraan lokaal behoefte is – de vrije toewijzingsruimte te vergroten tot 15 procent. E.e.a. maakt onderdeel uit van het (nog in te dienen) wetsvoorstel Huur- en inkomensgrenzen. Tekstvoorstellen hiervoor zijn nog niet beschikbaar. Naar verwachting zal in de Woningwet geregeld worden dat in prestatieafspraken partijen een hoger percentage ‘vrije toewijzingsruimte’ kunnen vaststellen (zoals dat ook geldt voor de huursomstijging).

    Corporaties kunnen in het kader van de in 2020 te maken prestatieafspraken al inventariseren of er behoefte bestaat aan een hoger percentage vrije toewijzingsruimte. Verder zouden partijen ook al kunnen afspreken dat die ruimte voor de corporatie gaat gelden, vanaf het tijdstip waarop de Woningwet deze mogelijkheid biedt.

    Hou er rekening mee dat bij de parlementaire behandeling de genoemde percentages nog kunnen wijzigen.
     
  6. Moet een sociaal statuut terugkomen in de prestatieafspraken?
    Nee, een sociaal statuut hoeft niet te worden opgenomen in prestatieafspraken. Prestatieafspraken gaan over de bijdrage van de toegelaten instelling aan de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid dat geldt in de betreffende gemeente.

    Een toegelaten instelling is op grond van artikel 55b lid 1 van de Woningwet verplicht om een reglement op te stellen voor het ‘slopen en treffen van ingrijpende voorzieningen aan haar woongelegenheden en de betrokkenheid van de bewoners van die woongelegenheden daarbij’ (vaak aangeduid als ‘sociaal statuut’.)

    De toegelaten instelling moet overleg voeren over dat reglement met de gemeente en de huurdersorganisaties en bewonerscommissies. Dat is bepaald in art. 55b lid 2 Woningwet. Maar zij hebben geen instemmingsrecht (noch op grond van de Woningwet, noch op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder).
     
  7. De plicht tot voorbespreking met de huurders wordt vervangen door een evaluatie met partners. Is deze wijziging al van toepassing?
    Op dit moment is een toegelaten instelling op grond van de Woningwet nog verplicht om vooroverleg te voeren met huurderorganisaties en bewonerscommissie over het activiteitenoverzicht (het bod). Dat volgt uit art. 43 lid 2 van de Woningwet.
    Het is de bedoeling dat de Woningwet op dit punt wordt aangepast. Het verplichte vooroverleg tussen de toegelaten instelling en de huurdersorganisaties/ bewonerscommissies zal worden omgezet naar een tripartiet overleg waarbij ook de gemeente partij is. Het is de bedoeling dat deze wijzigingen van de Woningwet per 1 januari 2021 in werking treden. De voorgenomen wijzigingen zijn nog niet opgenomen in een formeel wetsvoorstel.
     
  8. Zijn afwijkende procedures toegestaan?
    De betrokken lokale partijen (toegelaten instelling, huurdersorganisaties, bewonerscommissies en gemeente) mogen het proces rondom de prestatieafspraken inrichten op een manier die voor hen gezamenlijk het meest werkbaar is, zolang daardoor de positie van een betrokken partij niet verzwakt. Het is van belang dit goed vast te leggen om discussies over de geldigheid van de gemaakte afspraken te voorkomen.
     
  9. Moeten de prestatieafspraken aan de minister worden gezonden?
    De afspraken kunnen digitaal (op de website van de corporatie) worden gepubliceerd om aan de inzendplicht te voldoen. Corporaties waarbij dat op (technische) problemen stuit moeten hun prestatieafspraken aanleveren bij postbusaw@ilent.nl
     
  10. Moet een corporatie die meerjarige prestatieafspraken maakt, nog jaarlijks een bod uitbrengen?
    Hoewel het niet expliciet in de Woningwet is benoemd, kunnen corporaties prestatieafspraken maken voor meerdere jaren.

    e minister van BZK heeft eind 2018 uitdrukkelijk bevestigd dat de huidige Woningwet geen belemmering vormt voor het maken van meerjarige prestatieafspraken, zie pag. 2 van de Kamerbrief d.d. 9 november 2018 over de Ontwikkeling administratieve lasten woningcorporatiies.

    Het maken van meerjarige prestatieafspraken is een positieve ontwikkeling. Op basis van de huidige regelgeving moet u nog wel jaarlijks een overzicht van de voorgenomen activiteiten voor het jaar erop aan gemeenten en huurdersorganisatie verstrekken en hen uitnodigen voor een gesprek. In dat overzicht en gesprek kunt u dan ingaan op de voortgang in de uitvoering van de afspraken, op eventuele nieuwe ontwikkelingen en de concrete voornemens voor het komende jaar.

    Hou bij meerjarenafspraken rekening met het volgende. De Aw wijst erop dat voor specifieke onderwerpen (bijvoorbeeld huursomstijging in relatie tot tegenprestaties) in de woningwet een verantwoordingsplicht geldt. En dat er eisen worden gesteld aan de mate van concreetheid van de afspraken.

    Op basis van de huidige regelgeving moet u in principe nog wel jaarlijks een overzicht verstrekken van de voorgenomen activiteiten voor het jaar erop aan gemeenten en huurdersorganisatie. Ook moet u gemeente en huurdersorganisatie uitnodigen voor een gesprek. In dat overzicht en gesprek kunt u ingaan op de voortgang in de uitvoering van de afspraken, op eventuele nieuwe ontwikkelingen en de concrete voornemens voor het komende jaar.

    De verplichting van een overzicht van voorgenomen werkzaamheden (op 1 juli) en de uitnodiging is bedoeld om te borgen dat de corporatie overeenstemming wil bereiken met de gemeente en huurdersorganisatie over de voorgenomen activiteiten. Als de partijen overeenstemming hebben over bijvoorbeeld een meerjarenovereenkomst en ze zijn het er over eens dat dit overleg niet elk jaar op dezelfde wijze hoeft, dan kunnen zij het overleg over het bod en de afspraken lokaal anders inrichten. Het is van belang dit goed vast te leggen om discussies over de geldigheid van de gemaakte afspraken te voorkomen.
     

  11. Zijn er al nieuwe volkshuisvestelijke prioriteiten van BZK?
    Op grond van artikel 39 lid 2 BTIV moet de minister eenmaal per vier jaar de volkshuisvestelijke rijksprioriteiten  vaststellen, voor een tijdvak van vier kalenderjaren. De toegelaten instelling moet de rijksprioriteiten betrekken bij het vaststellen van het overzicht van voorgenomen werkzaamheden (het ‘bod’). Ook dat is bepaald in artikel 39 lid 2 van het BTIV. Het bod moet dus ingaan op de voornemens van de toegelaten instelling met betrekking tot de rijksprioriteiten. De huidige rijksprioriteitenlijst dateert van 2015 (en is opgenomen in de Circulaire inwerkingtreding Woningwet 2015 van de minister voor Wonen en Rijksdienst. De minister heeft het sindsdien (nog) niet geactualiseerd.