Wet- en Regelgeving

Europees Gerecht: ‘Bezwaar corporaties tegen DAEB-besluit kennelijk ongegrond’

Het Europees Gerecht heeft de bezwaren van woningcorporaties tegen het DAEB-besluit van de Europese Commissie zonder hoorzitting ongegrond verklaard. Het Gerecht vindt namelijk dat de Commissie slechts afspraken vastlegde die de Nederlandse overheid eerder zelf voorstelde.

DAEB-besluit
In het DAEB-besluit uit 2009 van de Europese Commissie is onder meer een inkomensgrens voor huurders opgenomen. Het besluit leidde tot fel verzet van woningcorporaties. De 130 procederende woningcorporaties vinden dat de Europese Commissie haar bevoegdheid overschreed door een Europese definitie voor sociale huisvesting op te leggen aan Nederland en te eisen dat sociale huurwoningen slechts toegankelijk blijven voor ‘achterstandsgroepen en sociaal kansarme groepen’. Zo zijn er marktomstandigheden, bijvoorbeeld in de grote steden in Nederland, waarin een sociale huurwoning voor middeninkomens de enige betaalbare oplossing is. Daarbij proberen corporaties bij te dragen aan gemengde wijken, om de leefbaarheid op peil te houden.

Niet onrechtmatig
De Europese Commissie sommeerde Nederland in 2005 maatregelen te nemen om het Nederlandse stelsel van sociale huisvesting in lijn te brengen met de Europese eisen. De Europese Commissie verzocht Nederland:
• De DAEB-taak te wijzigen, zodat sociale huisvesting ten goede komt aan een duidelijk omschreven doelgroep van achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen.
• Alle commerciële activiteiten van woningcorporaties voortaan onder marktvoorwaarden te laten plaatsvinden en corporaties hiervoor geen staatssteun te laten ontvangen.
• Het aanbod van sociale huisvesting aan te passen aan de vraag van achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen.

In oktober 2009 kwamen toenmalig minister van Wonen Eberhard van der Laan en toenmalig Eurocommisaris voor Mededinging Neelie Kroes tot overeenstemming over deze punten. Volgens het Gerecht aanvaardde Nederland toen deze maatregelen en beloofde het de afspraken, onder andere de inkomensgrens van 33.000 euro, op te nemen in wet- en regelgeving. Het Europees Gerecht oordeelt nu dat het slechts kan toetsen of de Europese Commissie de gemaakte afspraken goed heeft beoordeeld in het licht van de (vermeende) mededingingsproblemen. Het Gerecht vindt zichzelf dus niet bevoegd om de maatregelen van de Commissie voorafgaand aan de gemaakte afspraken te toetsen.

Hof gaf corporaties gelijk
‘We zijn teleurgesteld in de uitspraak. Het is zeer spijtig dat er geen hoorzitting komt. We beraden ons nu op volgende stappen’, zegt Marcel van Dijck van Woonlinie, een van de corporaties die de rechtszaak aanspanden. De betrokken corporaties waren al in hoger beroep gegaan tegen een besluit van het Europees Gerecht dat zij niet-ontvankelijk zouden zijn. Het Europees Hof gaf de corporaties toen gelijk: het DAEB-besluit van de Europese Commissie had volgens het Hof namelijk nadelige effecten voor de voorwaarden waaronder corporaties hun werk doen. De corporaties hebben inmiddels genoeg steun gevonden van collega-corporaties en hebben eind juli 2015 hoger beroep aangetekend bij het Europese Hof van Justitie.

Inmenging Europese Commissie
Aedes is tegen de vergaande inmenging van de Europese Commissie in de inrichting van de volkshuisvesting en de DAEB-taken van woningcorporaties en heeft de procederende corporaties dan ook ondersteund. Het algemeen belang van DAEB-activiteiten moet in Nederland worden bepaald. Het Europees Verdrag biedt ook waarborgen om de mededingingsregels ondergeschikt te houden aan de vrijheid van lidstaten om hun diensten van algemeen belang te bepalen. Dat er een smallere doelgroep moest worden bepaald en er een landelijke inkomensgrens uit de Europese afspraken kwam, toont volgens Aedes aan dat lidstaten die bevoegdheden kwijtraken aan de Europese Commissie.