Praktijk

Trivire meet leefbaarheid

Zo vanzelfsprekend als de begrotingscyclus is bij het bepalen van planmatige inzet, zo vanzelfsprekend moet het zijn dat een periodieke analyse van de situatie per complex meetelt bij de inzet op leefbaarheid. Dat vindt woningcorporatie Trivire uit Dordrecht. 

‘De aanpak van leefbaarheid in wijken en buurten maakten we voorheen op basis van waarnemingen van netwerkpartners en wijkregisseurs. Daardoor was de aanpak subjectief. Voor het meten van de investeringen in wijken en buurten en het vormen van een gezamenlijk beeld met netwerkpartners, ontwikkelden wij een kwalitatief meetinstrument’, vertelt Sanne Zwanenburg, ketenregisseur bij Trivire.

Indicatoren
Zwanenburg ging voor het maken van het meetinstrument naar collega-corporaties om te kijken hoe ze het daar deden. ‘Zij hadden een aantal indicatoren geformuleerd die wij nog niet hadden. Wat wij specifiek hebben toegevoegd is de toets bij de huurder, wijkregisseur en samenwerkingspartners zoals politie, zorginstellingen en gemeenten over hoe zij de buurt ervaren, en of zij onze complexcijfers herkennen. We gaan zitten met een grote kaart en plakken stickers bij de complexen die rood oplichten, omdat ze laag scoren. Netwerkorganisaties doen hetzelfde op basis van hun gegevens. Zo ontstaat er een compleet beeld. Het meetinstrument maakt het mogelijk om waar nodig samen te werken en een complex op diverse niveaus aan te pakken.’

De indicatoren waarop Trivire meet zijn:

  • mutatiegraad
  • woonduur
  • percentage huurders in een complex op basis van bemiddeling/met een zorgcontract
  • gemiddeld aantal reacties van woningzoekenden in het complex
  • percentage huurachterstand
  • percentage jongeren tot 23 jaar
  • percentage actieve overlast 
  • oordeel bewoners over de buurt
  • beheerintensiteit complex.

Aan deze indicatoren heeft Trivire ook de ervaringen van de klant over de wijk en wijkregisseur toegevoegd. ‘Zo krijgen we een mooie combinatie van objectieve en subjectieve factoren.’ 

Complexniveau
Het meetinstrument werkt op complexniveau. Wanneer vijf van de negen indicatoren rood oplichten, is dat reden tot extra aandacht voor een complex. ‘De uitkomst toetsen we altijd eerst bij de wijkregisseur en bij de samenwerkingspartners. Het kan bijvoorbeeld zijn dat bij een klein complex één of twee huurders overlast geven. Dit complex kleurt dan al rood, terwijl er niet heel veel aan de hand is. Daarom bepalen we pas na overleg of extra aandacht nodig is’, zegt Zwanenburg. ‘Het meetinstrument dient als onderlegger, het gesprek met de verschillende belanghebbenden bepaalt de uiteindelijke situatie van een complex.’

Gezamenlijk kijken corporatiemedewerkers, politieagenten, zorgverleners en gemeenteambtenaren welke inzet nodig is. ‘In Zwijndrecht hebben we een politiespreekuur ingevoerd. Veel mensen voelden zich onveilig, het complex ervaarde actieve overlast en had daarnaast veel actieve woningzoekenden. Bewoners vertelden dat ze behoefte hadden aan een politiespreekuur. Zo zoeken we heel concreet oplossingen per complex’, zegt Zwanenburg. 

Achteraf toetst de corporatie met de partners of ze verbetering zien. In Zwijndrecht was dit complex van rood naar oranje gegaan. ‘Het liefst willen we groen, dus we zijn er nog niet. Maar we willen wat nu groen is, ook graag groen houden. Dat betekent dat we ook aan die complexen aandacht blijven besteden, om de leefbaarheid in wijken en buurten op peil te houden’, aldus Zwanenburg.

In het kader van de Vernieuwingsagenda is binnen de coalitie Leefbare buurten en wijken een groep actief bezig met data en monitoring. Vragen? Stel ze in de community Leefbaarheid