Verhuurder mag geen administratiekosten of sleutelgeld in rekening brengen

Op 16 juli heeft de Hoge Raad bevestigd dat administratiekosten of contractkosten alleen in bijzondere omstandigheden gevraagd kunnen worden.

In de gevallen dat de door de verhuurder te leveren dienst voornamelijk het belang van de verhuurder dient of als de dienst reeds hoort tot de normale werkzaamheden van een verhuurder, zal er sprake zijn van een ‘onredelijk voordeel’. Zelfs een bedrag van enkele tientjes kan onredelijk zijn. Dit geldt ook voor corporaties.

De Hoge Raad legt in deze uitspraak uit hoe de wettelijke bepaling moet worden uitgelegd.

Extra eenmalige diensten

Eerst moet gekeken worden of de bedongen prestatie uitsluitend of voornamelijk het belang van de huurder dient. Als dat niet zo is,  dan kan pas de omvang van het voordeel voor de huurder en de kosten worden afgewogen. Een verhuurder mag bij het aangaan van de huur dus alleen kosten in rekening brengen voor extra eenmalige diensten die niet onder de normale werkzaamheden van een verhuurder horen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een naamplaatje.

Achtergrond

De wet kent al jaren in art. 7:264 lid 1 BW een bepaling die het verhuurders verbiedt om kosten in rekening te brengen, als daar niet of nauwelijks een tegenprestatie vanuit de verhuurder tegenover staat. Doet de verhuurder dat toch, dan is deze bepaling nietig (niet geldig) en kan de huurder het geld terugvragen. 

De achtergrond bij deze bepaling is dat een huurder voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst – zeker in de huidige overspannen woningmarkt– in een zeer zwakke positie staat. Het komt dan ook geregeld voor dat verhuurders soms honderden euro’s in rekening brengen onder de noemers ‘administratiekosten’, ‘contractkosten’ of ‘sleutelgeld’. Wat de huurder daar precies voor terugkrijgt is vaak nog maar zeer de vraag.