Verdieping

Achtergrond Wetsvoorstel Verhuurderheffing

Sinds 2013 moeten woningcorporaties een verhuurdersbelasting betalen over hun bezit. Verhuurders met meer dan tien woningen betalen jaarlijks een belasting over de waarde van hun huurwoningen in de gereguleerde sector. Met de verhuurdersheffing wil het kabinet het begrotingstekort terugdringen.

Wetsvoorstel
De minister voor Wonen en Rijksdienst en de staatssecretaris van Financiën dienden daartoe op 18 september 2012 de Wet Verhuurderheffing in. Het voorstel is op 21 november 2012 aangenomen door de Tweede Kamer. PvdA, D66, VVD, CDA, ChristenUnie en SGP stemden voor. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het Belastingplan 2013 en het regeerakkoord Bruggen Slaan van het kabinet-Rutte II. De heffing werd eerder aangekondigd in het regeerakkoord van het kabinet Rutte I en in het Lenteakkoord van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie.

In januari 2014 werd de Wet maatregelen woningmarkt 2014 aangenomen. Die wet regelt de verhuurdersheffing voor 2014 en verder. De Eerste Kamer verzocht het kabinet om het wetsvoorstel op deze manier op te knippen en in het nieuwe wetsvoorstel de mogelijkheid te bieden om te blijven investeren in onderhoud en nieuwbouw.

Heffing
De hoogte van de heffing is een aantal keren aangepast. De heffing bedroeg in het Lenteakkoord 5 miljoen euro voor 2013 en 800 miljoen voor 2014 en verder. Het regeerakkoord van Rutte II kondigde een extra heffing aan van 45 miljoen in 2013 oplopend tot 1,2 miljard euro in 2017. Uiteindelijk loopt de heffing zelfs op tot 1,7 miljard euro in 2017. Na 2018 wil het huidige kabinet de heffing zelfs verder laten oplopen.

Gereguleerde sector
De heffing heeft betrekking op zelfstandige huurwoningen in de gereguleerde sector – dat wil zeggen met een huur onder de liberalisatiegrens (in 2016 710,68 euro per maand). Het grootste deel daarvan zit bij woningcorporaties; zo’n 85 procent van de belastinginkomsten komt uit de corporatiesector.