Omnia Wonen wil leren van de Aedes-benchmark

‘Wat zit er achter de benchmarkcijfers en wat kunnen we daarvan leren?’, is het pleidooi van Monique Govers, directeur-bestuurder van woningcorporatie Omnia Wonen in een vraaggesprek naar aanleiding van de Aedes-benchmark 2020.

Welke belangrijk inzicht gaf de benchmark 2020 Omnia Wonen?

‘We hadden een A-score op de bedrijfslasten. Dan kun je zeggen "hartstikke goed, fantastisch, goed gedaan". De eerlijkheid gebied me echter te zeggen dat ik geschrokken ben, want wij ambiëren een gemiddelde score op bedrijfslasten. Omnia Wonen is als middelgrote corporatie actief in dertien gemeenten in heel Nederland, van Assen tot Den Haag. Dan kun je eigenlijk niet zo efficiënt zijn als een middelgrote corporatie die maar in een of twee gemeenten actief is. Want bij de Aedes-benchmark vergelijk je jouw eigen prestaties ten opzichte van die van andere middelgrote corporaties. Ik wil dan weten waarom het is zoals het is. Hoe komt het dat wij zo hoog scoren op de bedrijfslasten?’

Wat had u niet of anders verwacht?

‘Ondanks grote interne veranderingen, zoals bijvoorbeeld een fusie, scoren we hoog met onze huurderstevredenheid. Daar zijn we blij mee, maar het had me niet verbaasd als de huurderstevredenheid wat lager zou zijn. Tuurlijk ben ik tevreden met de goede score, maar tegelijkertijd denk ik: hoe kan dat nou? Werkt de impact van dergelijke ontwikkelingen soms pas jaren later door?’

Met welke thema’s gaat Omnia Wonen dit jaar aan de slag?

‘Het verbeteren van de huurderstevredenheid, met name bij het verlaten van een woning. Dit ligt net iets lager dan die bij startende huurders. Dat past trouwens in de landelijke trend, maar wij zien het graag anders. Daarnaast vinden wij de instandhoudingskosten een heel belangrijk thema. Dat gaat om het grote geld. Hoe kunnen we dat nu efficiënter besteden, in combinatie met een hoge dienstverlening. Dat vind ik de belangrijkste operationele vraag.’

Wat hoopt Omnia Wonen te leren van de benchlearningsessies?

‘Wij zijn met name geïnteresseerd in de verdiepende gesprekken over de behaalde scores. Hoe komt het of hoe denk je dat het komt dat je deze score hebt? Het gaat niet over hoog of laag, maar het waarom. Waarom is het zoals het is?

Graag wil ik meer aandacht voor het doel van de benchmark als leerinstrument. Nu ligt de nadruk in de communicatie vooral op de goede scores van corporaties. Dat vind ik mooi, we zijn trots op de prestaties die geleverd zijn. En dat mag ook. Tegelijkertijd zie ik hierin het risico dat onderbelicht blijft waar de benchmark oorspronkelijk voor bedoeld is: transparantie en het van elkaar leren aan de hand van eenduidige data. Mijn pleidooi is dan ook om te blijven kijken naar wat er achter de benchmarkcijfers zit en wat we daarvan kunnen leren.’