FAQ

Vijf vragen over het loopbaanontwikkelingsbudget

Werknemers hebben op basis van de CAO Woondiensten sinds 1 januari 2010 recht op een individueel loopbaanontwikkelingsbudget. Werknemers bepalen zelf hoe, wanneer en waaraan zij het budget besteden. Voorwaarde is dat de besteding bijdraagt aan hun loopbaanontwikkeling.

Woningcorporaties stellen Aedes veel vragen over het individueel loopbaanontwikkelingsbudget. De belangrijkste vragen en antwoorden op een rij.

1.Wanneer is een opleiding ten behoeve van de loopbaanontwikkeling?
Alle opleidingen die gericht zijn op de professionele ontwikkeling binnen een bepaald vakgebied zijn loopbaangericht. Hobbymatige cursussen of andere vrijetijdsbestedingen vallen daar in ieder geval niet onder. De Commissie Interpretatie en Dispensatie heeft in 2010 geoordeeld dat ook het volgen van de rijopleiding tot rijbewijs B in de meeste gevallen gezien wordt als een algemene vaardigheid die los staat van het uitoefenen van een bepaalde functie of beroep. Naar het oordeel van de commissie is een algemene vaardigheid niet ten behoeve van de loopbaanontwikkeling.

2.Hoe vindt de opbouw van het individueel loopbaanontwikkelingsbudget plaats?
Het ontstaan van nieuwe rechten op het individueel loopbaanontwikkelingsbudget wordt geregeld in artikel 10.6 CAO Woondiensten. Alle werknemers met een 36-urige werkweek die in dienst zijn van de werkgever, hebben per kalenderjaar recht op een individueel loopbaanontwikkelingsbudget van 900 euro (of naar rato). De omvang van het dienstverband (fulltime of parttime) op 1 januari bepaalt de hoogte en het maximum van het budget.

3.Is het loopbaanontwikkelingsbudget gemaximeerd?
Ja. De werknemer kan zijn recht op het individueel loopbaanontwikkelingsbudget sparen tot een maximum van 4.500 euro (artikel 10.6.5).
Bijvoorbeeld: werknemer heeft een individueel loopbaanontwikkelingsbudget van 4.500 euro. Hij heeft tot op heden geen budget besteed. Dit betekent dat hij per januari 2017 geen recht op een jaarlijkse groei van zijn budget ter hoogte van 900 euro, aangezien hij zijn maximum al heeft bereikt van 4.500 euro.
Bijvoorbeeld: werknemer heeft een individueel loopbaanontwikkelingsbudget van 4.100 euro. Dit betekent dat hij per januari 2017 geen recht heeft op een jaarlijkse groei van 900 euro, maar op een groei van 400 euro, omdat daarmee zijn maximum van 4.500 euro is bereikt.

Bijvoorbeeld: werknemer heeft geen individueel loopbaanontwikkelingsbudget meer. Dit betekent dat hij met ingang van 1 januari 2017 jaarlijks 900 euro opbouwt tot een maximum van 4.500 euro.

4.Kan een medewerker zijn loopbaanontwikkelingsbudget nog besteden nadat hij uit dienst is getreden?
Nee, het loopbaanontwikkelingsbudget kan alleen gedurende het dienstverband besteed worden. Besteden betekent in dit verband het daadwerkelijk volgen van een training of opleiding. Budget kan dus ook in de opzegtermijn worden besteed (het aanvragen en genieten van de opleiding). Een medewerker kan geen opleiding ten laste van het loopbaanontwikkelingsbudget volgen nadat hij uit dienst is getreden. Ook niet als de medewerker zich al ingeschreven heeft voor die opleiding toen hij nog in dienst was. In zo’n geval kan de werkgever de medewerker vragen de opleiding te annuleren. De eventuele annuleringskosten komen ten laste van het loopbaanontwikkelingsbudget. Een alternatief is dat de medewerker de kosten van de opleiding na datum uitdiensttreding voor zijn eigen rekening neemt.

5.Kunnen 55-plussers extra roostervrije uren kopen met hun individueel loopbaanontwikkelingsbudget?
Ja. Als de medewerker 55 jaar of ouder is, kan hij of zij per kalenderjaar maximaal 28 extra roostervrije uren per jaar kopen. Net als bij andere bestedingen van het loopbaanontwikkelingsbudget geldt ook hier dat u niet meer kunt besteden dan de hoogte van uw budget. Voor parttimers geldt dat het kopen naar rato is. De extra roostervrije uren verjaren 5 jaren na de datum van de aankoop.